Op weg naar de Lau-groep
Nadat Albert onderweg was naar Anneke in Amerika, deden wij snel de nodige boodschappen en haalden ons grootzeil op bij de zeilmaker. Er zat een scheur in die gelukkig netjes was hersteld. Toen we het zeil weer hadden gemonteerd, voelden we ons klaar voor de volgende etappe: de tocht naar de afgelegen Lau-groep.
Die avond zakte de beloofde wind echter volledig weg en moesten we bijna twintig uur lang motoren. Uiteindelijk besloten we een stop te maken bij Kadavu, waar we genoten van een paar dagen eilandrust. We deden diverse korte sevusevu’s; de chiefs waardeerden het dat we de tradities opvolgden, al was er één chief die liever een fles sterke drank kreeg dan de traditionele kava. Voor ons voelde dat eerlijk gezegd als een kleine domper, een sevusevu hoort tenslotte om respect en verbinding te draaien, niet om drank. Het bleef bij een kort “dankjewel, jullie mogen hier ankeren en snorkelen,” en daarmee was de formaliteit afgerond.




Gelukkig maakte de natuur alles goed. Kadavu staat bekend om de oceanic manta rays die een spanwijdte tot 7 meter kunnen hebben, die hier het hele jaar rond een cleaning station zwemmen. Soms wel met negen tegelijk. We waren dan ook in een euforische stemming toen we de eersten zagen, sierlijke reuzen met een spanwijdte van ruim vijf meter, die in alle rust langs je heen zweven. Hun kalme aanwezigheid onder water was ronduit magisch.
Na drie dagen draaide de wind eindelijk de goede kant op en zetten we koers richting de Lau-groep, een gebied dat vaak wordt vergeleken met de Tuamotus in Frans-Polynesië. We keken er enorm naar uit.
Maar zoals iedere zeiler weet, is het nooit de vraag óf er iets kapotgaat, maar wanneer. En natuurlijk gebeurt dat altijd op het meest ongelukkige moment. Midden op zee ontdekten we dat de hele machinekamer onder water stond. Gelukkig merkte Jeroen het net op tijd, voordat de motor of andere elektrische systemen schade opliepen. Na eindeloos hozen met de bilge konden we eindelijk op inspectie. De boosdoener bleek de uitlaat van de generator te zijn: die voerde het hete koelwater niet meer naar buiten, maar rechtstreeks de boot in.
Met wat improvisatie wist Jeroen de uitlaat in te korten en een slimme modificatie te maken. Tot onze opluchting sloeg de generator weer aan. En dat was hard nodig, want de bewolking hield onze zonnepanelen tegen om voldoende stroom te leveren.
Na twee dagen zeilen zagen we in de vroege ochtend de contouren van Ogea opdoemen. Rond acht uur lieten we ons anker vallen in helderblauw water. Voor ons lag een nieuw hoofdstuk vol ontmoetingen, tradities en verhalen die wachtten om ontdekt te worden.










Op Ogea, beleefden we onze eerste meer traditionelere sevusevu. Je merkt meteen dat hier minder zeilers komen. Voor de kinderen waren wij vooral een attractie, eerst giechelend op afstand, maar zodra de nieuwsgierigheid sterker werd, kwamen ze dichterbij.
Het hele dorp telt zo’n 85 inwoners, waarvan 23 kinderen onder de 14 jaar. Zodra ze die leeftijd bereiken, vertrekken ze naar Suva om bij familie of vrienden te wonen en daar hun vervolgopleiding te volgen.
We werden welkom geheten door de chief in zijn huis. Een groep kinderen schoof nieuwsgierig mee de kring in, hun ogen groot van verwachting. Niet veel later kwam ook zijn vrouw erbij zitten, waardoor de sfeer nog warmer en huiselijker werd. De eenvoud en het respect waarmee deze ceremonie plaatsvond, maakten het voor ons een onvergetelijk moment.






Omdat Ogea zo afgelegen ligt, merk je dat de bewoners sommige dingen goed kunnen gebruiken. Kleding, tandpasta en tandenborstels bijvoorbeeld, laat ik die nou net meegenomen hebben. Ook leesbrillen, zonnebrillen, visgerei, snorkels en flippers zijn zeer welkom. Rajesh dook zelfs zijn kledingkast in en doneerde verschillende korte broeken en shirts, die met een grote glimlach werden ontvangen.
Het dorp zelf is bezig met een bijzondere uitdaging: het inzamelen van geld voor de bouw van een lage muur. In de maanden december en januari, wanneer de regenval hevig is en de getijden hoger staan, loopt het dorp vaak onder water. Met de muur hopen ze dit in de toekomst te voorkomen. De gemeenschap leeft eenvoudig en zelfvoorzienend, met vis, cassave, taro en kokosnoot als basis van hun maaltijden. Toch is er een sterke band met de rest van Fiji: veel families hebben naasten in de steden wonen. Helemaal afgesloten zijn ze dus niet, maar wanneer er zeilers langskomen, betekent dat vaak net dat beetje extra.








De legende van Burotukula
In zo’n dorp, waar verhalen nog rondgaan bij het licht van een petroleumlamp of in de schaduw van een mangoboom, komen ook de oude legendes tot leven. Eén daarvan is de legende van Burotukula het verloren eiland.
Het verhaal zegt dat er ooit een visser van Matuku afgedreven werd en wakker werd op een kust die schitterde als licht. Hij vond er bomen die de hemel raakten, bloemen die nooit ophielden met bloeien, en vrouwen zo mooi dat ze meer op geesten leken dan op mensen. Eén van hen gaf hem geschenken: een handvol aarde, een beetje fonkelend zand en een veer van een zeldzame vogel. Toen hij de volgende ochtend zijn ogen opende, lag hij weer op Matuku, met de gaven nog in zijn hand.
Het dorp voer uit, hongerig naar het paradijs dat hij had gezien, maar de oceaan hield zijn geheim. Sommigen fluisteren dat de chieftainess van het eiland Burotukula het in de golven liet verdwijnen, om het te beschermen tegen menselijke hebzucht. Anderen zeggen dat het zich alleen toont aan wie er niet naar zoekt. Zelfs in de jaren ’90 beweerden vissers dat ze tijdens een cycloon een glimp zagen van een schitterend eiland, vlak voordat het opnieuw in de mist verdween.
Voor de Fijianen is Burotukula geen sprookje, maar een verhaal met gewicht. Sommigen verbinden het met Bulu, het rijk van de voorouders, anderen zien het als een paradijs dat niet te bezitten is. Of het nu een herinnering is aan een verzonken eiland of een poort naar het hiernamaals, niemand weet het zeker. Maar het fluistert nog steeds mee met de wind over de Lau-groep, alsof je het op een stille ochtend zó zou kunnen zien verschijnen.








Die avond, terwijl we terugliepen naar onze boot, voelde ik hoe deze verhalen een andere laag gaven aan ons eigen bestaan hier. Want leven op een zeilboot in deze afgelegen wateren betekent ook altijd balanceren tussen vrijheid en kwetsbaarheid.
Toen Jeroen ziek werd, werd dat pijnlijk duidelijk. Al langere tijd had hij pijn in zijn zij, en omdat hij niet iemand is die snel klaagt, wist ik meteen dat het serieus was. Met wat eigen speurwerk vermoedden we dat het zijn galblaas zou kunnen zijn. Dat knagende gevoel, stel dat het erger wordt, stel dat we hier, zo ver van alles, niets kunnen doen, legde onze kwetsbaarheid genadeloos bloot.
Na wat twijfel hesen we het anker en zetten koers naar Suva. Met de wind schuin van achteren en een kracht van dertig knopen leek het alsof we vlogen. My Motu stoof vooruit met een snelheid van ruim acht knopen, het water bruisend langs de romp. Veertig uur later, bij het vallen van de schemer, lieten we ons anker zakken in de baai van Suva.
De volgende ochtend zagen we de stad ontwaken. Het water om ons heen oogde bruin en groenig door de rivierafvoer en de bedrijvigheid in de haven. Aan de horizon ontvouwde zich een landschap van tropisch groen en heuvels die langzaam omhoogliepen, met daarachter de skyline van Suva: een bonte mix van moderne gebouwen en koloniale architectuur.




Nog voor de afspraak in het ziekenhuis gingen we eerst langs immigratie, waar we ons visum mochten verlengen tot eind november. Daarna volgde een gesprek met de arts. Na bloedonderzoek en echo’s werd er een nieuwe afspraak ingepland voor aanvullende onderzoeken.
Voor die onderzoeken kreeg Jeroen een roesje. Voor hem voelde het alsof hij terechtkwam in een kleurrijke tekenfilm, gecombineerd met een eindeloze achtbaan. In de verte hoorde hij stemmen, terwijl hij de druk voelde van handen die zijn buik onderzochten. Geen pijn, alleen een surrealistische waas die hem later de meest bizarre verhalen liet vertellen. Toen ik hem op de uitslaapkamer weer mocht zien, deed hij verslag in geuren en kleuren
Even later spraken we kort met de arts. De diagnose was duidelijk: een maagzweer en een verdikte galblaaswand. Geen prettig nieuws, maar gelukkig wél iets waar behandeling voor is. Met medicatie en een aangepast eetpatroon kon hij verder.
En typisch Jeroen: terwijl ik nog half in de ‘doktersstand’ stond, vloog hij de volgende dag alweer van hot naar her alsof er nooit iets aan de hand was geweest. Toch blijft dat besef hangen dat alles wat je hier hebt zo broos is. Eén onverwachte gebeurtenis kan je hele wereld op zijn kop zetten.
Misschien is dat juist wat de Lau-groep zo bijzonder maakt: tussen de oude legendes en de eenvoudige dorpen, tussen mythe en realiteit, word je eraan herinnerd hoe dun de lijn is tussen paradijs en kwetsbaarheid.


REACTIES AAN BOORD
Laat een bericht achter
Deel een gedachte, vraag of groet. Je reactie wordt eerst door Aagje gelezen voordat hij hier verschijnt.
Reacties laden…