Onderweg naar Fiji
De oceaan lag voor ons open, blauw, eindeloos, uitnodigend. En wij waren er klaar voor.
Met zes boten verlieten we tegelijk Aitutaki. Elk met zijn eigen bestemming, zijn eigen verhaal, maar voor even met dezelfde horizon. De eerste 24 uur bleven we verrassend dicht bij elkaar. Je zag elkaar nog aan de einder, een zeil dat oplichtte in de zon, een AIS-signaal dat knipoogde op het scherm. Maar langzaam gebeurde wat altijd gebeurt op zee: de vloot versplinterde. Ieder boot volgde zijn eigen wind, zijn eigen koers. Richting Niue, Tonga, Samoa…
En wij? Wij gingen voor de sprong in één keer. Rechtstreeks naar Fiji.
De weersvoorspellingen van PredictWind of Windy veranderen zo snel en zo vaak dat je nauwelijks verder kunt plannen dan een dag vooruit. Maar als de voorspellingen niet verslechteren, opent zich een klein weervenster richting Fiji. We waren op alles voorbereid. Slecht weer? Dan konden we uitwijken naar Niue. Te ruig? Dan desnoods nog verder noordelijk, naar Samoa. Maar voorlopig bleef de koers westwaarts.



Dit wordt onze één-na-langste overtocht: zo’n 12 dagen op open zee. En nog nooit waren we zo… leeg. Niet emotioneel (al voel je die spanning altijd wel in je buik), maar letterlijk: de koelkast, vriezer en voorraadkast zijn niet aangevuld, want we moeten ons nog veel ontdoen van alles wat Fiji verboden verklaart. Geen vlees, geen verse vis, geen groente of fruit, geen zaden, honing of verse kruiden. Dus eten we als koningen. Rijk belegde boterhammen met kipburgers, beefburgers of verse tonijn (die we op weg naar Aitutaki hadden gevangen). ’s Avonds dampende curry’s, royaal gevuld met onze laatste verse groente – nog bereid in Aitutaki en ingevroren voor onderweg als de zee ruig wordt. Op My Motu geen noodrantsoenen. Alleen comfortfood op weg naar de horizon.
De wind zat mee: een comfortabele 15 tot 20 knopen, schuin van achteren. De golven, zo’n 2,5 meter hoog, kwamen in het begin nog van opzij, maar draaiden langzaam achter ons aan. Zodra de zeilen stonden, daalde er een weldadige rust neer aan boord. We waren onderweg. Echt onderweg.
De eerste twee dagen moesten onze lichamen wennen aan het ritme van de oceaan. Niemand werd zeeziek, maar de voortdurende beweging en het nieuwe waaksysteem vroegen hun tol. Ieder van ons vond zijn eigen slaappatroon, afgestemd op de verschillende nachtdiensten. Vanaf dag drie voelde iedereen zich energieker, alsof we langzaamaan één werden met het ritme van de zee.


De eerste dagen op zee vanaf Aitutaki waren bijna spookachtig stil. De oceaan strekte zich eindeloos om ons heen uit in een diepe, lege blauwheid. Geen vogels die nieuwsgierig rond de mast cirkelden. Geen vliegende vissen die in paniek uit het water sprongen. Geen nieuwsgierige dolfijnen die ons een hart onder de riem kwamen steken. Alleen wij, de golven, en een schijnbaar verlaten oceaan. We zeilden dagenlang in een soort vacuüm van leven, waarin je je even heel klein voelt. Alsof de zee zich inhield. Alsof alles wat normaal zindert van energie, zich had teruggetrokken in afwachting van iets groots.
En dan ineens: bij zonsondergang dolfijnen! Een grote groep komt spelen in de boeggolven. Wat een cadeau. Een halfuur lang dartelen ze naast ons mee. Het leven op zee keert terug. Vanaf dat moment zien we weer vogels, vliegende vissen, en ook de volgende avond komen de dolfijnen terug. Tonijnen springen speels boven het water uit.





In de nacht passeren we Niue, rakelings. We zien alleen wat lichtjes aan de horizon. De maan laat het afweten en de dikke bewolking houdt ook de sterren gevangen. Van het eiland zelf zien we niets. Dan valt de wind weg en motoren we zo’n zes uur lang.
Even later trekt de wind opnieuw aan, draait verder naar achteren, en met zo’n 25 knopen in de rug maken we weer vaart. We zeilen met 6 à 7 knopen voortgang. En ergens daar, tussen Niue en de eindeloze leegte richting Tonga, gebeurde het: we staken de datumgrens over. Plotseling sprongen we van 12 uur achter op Nederland naar 10 uur voor. Op papier verloren we bijna een hele dag. Geen vuurwerk, geen fanfare, geen dramatisch klokmoment, alleen een plotseling besef: wacht eens even… waar is onze woensdag gebleven?
Toen veranderde de weersvoorspellingen. Een grote depressie nadert van achteren, met golven tot wel bijna 6 meter hoog. We zetten alles op alles om vooruit te blijven. De golven worden intussen al indrukwekkend: 3,5 tot 4 meter hoog, recht van achteren. We surfen met snelheden tot wel 10 knopen van de hellingen naar beneden. Zolang je vooruit blijft kijken, is het goed te doen, maar als je achterom kijkt en ziet hoe de golven zich torenhoog opbouwen achter de boot, dan voel je pas echt hoe klein je bent op deze immense oceaan.


De stuurautomaat begint te slippen. Eerst af en toe, dan steeds vaker. Een zenuwtrek in het stuur, een schokje in de koers. Niet goed. We besluiten de reserve-stuurautomaat in te bouwen. Terwijl Jeroen aan het werk gaat, neem ik het roer over, handmatig sturen in de lange deining, anderhalf uur lang geconcentreerd laveren over donkere golfruggen.
Maar zodra de nieuwe stuurautomaat draait, voelen we het allebei meteen: dit klopt niet. Het geluid is te hard, alsof er iets wringt, alsof de tandwieltjes gesmeerd moeten worden. We laten het even zo, maar het gevoel blijft knagen. Jeroen haalt de oude stuurautomaat uit elkaar. Diagnose: een versleten V-snaar. En laat dat nu nét het enige onderdeel zijn dat we níét op voorraad hebben. Typisch.


Ondertussen begint de nieuwe stuurautomaat steeds beroerder te klinken. Na het avondeten nemen we een besluit: we halen de V-snaar uit de nieuwe en installeren die in de oude. Natuurlijk gebeurt dit alles net wanneer de duisternis volledig invalt. Geen maan, geen sterren, alleen pikzwart om ons heen. Ik neem opnieuw het roer. De golven komen van achteren. In het donker stuur je op gevoel, op intuïtie. Je voelt de kracht van de golven, en de wind op je hoofd die van achteren moet blijven komen. Terwijl Jeroen met zijn hoofdlamp op binnen, gefocust en stil te werk gaat om alles weer in orde te maken.
Twee uur lang werken we in stilte, ieder op zijn post. Dan: een duim omhoog van Jeroen. Alles zit erin. We testen de stuurautomaat. Het vertrouwde geluid is terug. Stevig. Steady. Hij doet het weer. We wisselen een korte blik. Geen woorden nodig. We weten het zeker: Deze klus hebben we weer geklaard.
We hebben nog nooit tijdens een overtocht zóveel gelezen. Het ene boek na het andere wordt verslonden. Geen wonder: al negen dagen lang hebben we de zeilen nauwelijks hoeven aanraken. Dag en nacht blijft alles hetzelfde. De boot glijdt over de golven, de wind houdt koers en wij verdwijnen in verhalen.
Op dag tien, midden in de nacht, zeilen we de wateren van Fiji binnen. We varen tussen een groep atollen door, en juist op dat moment barst het los: zware regen, onweer, en windstoten tot wel 40 knopen. Maar omdat we tussen de atollen zeilen, blijven de golven relatief laag. Fiji biedt ons op het nippertje beschutting.
Ik voel de boot ineens rare bewegingen maken en ga naar buiten om te kijken. Jeroen’s shift is net begonnen, het is vijf uur ’s ochtends. Hij stuurt met de hand, want de stuurautomaat maakt een verontrustend geluid. Hij had me nog een paar uur willen laten slapen tot het licht werd, maar dat idee schuiven we snel van tafel. Ik wrijf de slaap uit mijn ogen, rol de zeilen in en neem het roer over, zodat Jeroen rustig kan kijken wat er mis is.
Het is, natuurlijk je raad het al, pikkedonker. Ik moet even wennen aan de golven en de krachten onder de boot voelen, totdat alles weer klopt, de wind van achteren, de golven beheersbaar. Er blijkt een schroef los te zitten en een plastic nokje van de as is afgebroken. Gelukkig hebben we dit onderdeel op voorraad en weet Jeroen alles te repareren. Anderhalf uur later is de stuurautomaat weer geïnstalleerd. We hijsen opnieuw de zeilen en zetten koers richting Levuka, onze inklaringshaven.
Die ochtend krijgen we bericht van Lille Venn: zij zijn al aangekomen in Levuka. De health official is net aan boord geweest, en ze zitten op dat moment aan tafel met douane, immigratie en biosecurity. De biosecurity-official moet speciaal met de veerboot naar Levuka komen en ze zou diezelfde avond alweer teruggaan. Het zou zomaar een week of twee kunnen duren voor ze opnieuw zou langskomen. Dankzij Ralph en Barbara van Lille Venn, die haar met zachte dwang hebben overtuigd om een nachtje te blijven, krijgen we een kans. Maar we móéten dan wel de volgende dag vóór 12.00 uur binnen zijn. Geen minuut later.
We zetten alles op alles om het te halen. Onze laatste nacht op zee is er één uit een boek: een hemel vol sterren, golven die nog max twee meter hoog zijn, stabiele wind van 23-27 knopen, en een bootsnelheid van 6,5 knopen die we de hele nacht volhouden. Het is de perfecte afsluiter van een lange reis.
De volgende ochtend blijft het lang grijs aan de horizon. Fiji laat zich niet meteen zien. Ze blijft verborgen achter een enorme regenwolk. Maar rond half negen trekt de lucht heel even open. En daar is hij dan: de doorgang in het rif. Om negen uur laten we het anker vallen in de baai van Levuka. We zijn er.
Barbara en Ralph komen meteen naar ons toe. Wat is het fijn om elkaar weer in de armen te kunnen sluiten. We zijn in Fiji. Echt!


Via de VHF laten we customs weten dat we zijn aangekomen. Zij regelen dat alle officials bij ons aan boord komen. Nog geen halfuur later barst een tropische bui los. Perfect getimed, want onze watertank was bijna leeg. Tussen de stortbuien door stappen gezondheidszorg, douane, immigratie en biosecurity aan boord. Dankzij Barbara en Ralph, die al Fijiaanse dollars voor ons hadden gepind, verloopt alles soepel. Wat een steun en wat zijn de mensen hier ongelooflijk vriendelijk.
Levuka wordt niet vaak als inklaringshave gebruikt, tot spijt van de bewoners en officials. Vorig jaar hebben hier slechts elf boten ingecheckt, en dit jaar zijn wij pas boot nummer drie.
Levuka is een stad met een fascinerende geschiedenis. Dit is geen gewone aankomsthaven. Dit kleine, charmante stadje op het eiland Ovalau was ooit de eerste hoofdstad van Fiji. In 1874, toen Fiji werd gekoloniseerd door de Britten, was Levuka het politieke en economische hart van het land. Hier werd ook het verdrag ondertekend waarbij Fiji werd overgedragen aan de Britse Kroon.
In die tijd was Levuka een bruisende haven vol zeelieden, handelaren en avonturiers. Je vindt er nog steeds koloniale gebouwen, een oude Anglicaanse kerk, en het oudste postkantoor van Fiji. Het hele stadje werd in 2013 uitgeroepen tot UNESCO Werelderfgoed, juist omdat het zo goed bewaard is gebleven als voorbeeld van een vroege Europese nederzetting in de Pacific. Vandaag voelt het alsof de tijd er zachtjes is blijven stilstaan. Een perfecte plek om je Fiji-avontuur te beginnen.





Omdat het zondag is, moeten we tot morgen wachten om onze cruising permit te regelen.
Die dag worden we uitgenodigd bij Sala, een local die ons hartelijk ontvangt in haar huis. Ze zal ons uitleggen hoe het sevusevu-ritueel werkt (inclusief het drinken van kava), en ons laten zien waar we de traditionele kleding kunnen kopen die verplicht is bij een bezoek aan afgelegen dorpen – én waar we de juiste kava kunnen halen: het onmisbare geschenk bij elk dorpsbezoek.
Maar dat… is voor de volgende blog. 😉


REACTIES AAN BOORD
Laat een bericht achter
Deel een gedachte, vraag of groet. Je reactie wordt eerst door Aagje gelezen voordat hij hier verschijnt.
Reacties laden…