De oceaan beslist
In de baai van Makogai lijkt de wereld zich die dag te beperken tot water, regen en grijze luchten. Vanuit de beschutting van de cockpit kijken we uit over een horizon die bijna volledig is verdwenen achter een gordijn van neerstortende regen. De heuvels van het eiland zijn nog slechts vage schaduwen in de verte, af en toe zichtbaar en vervolgens weer opgeslokt door de volgende regenbui die over het water trekt.
De wind blaast onophoudelijk over de ankerplaats en laat kleine schuimkoppen over het oppervlak jagen. My Motu ligt veilig voor anker, maar trekt onrustig aan haar ketting terwijl de vlagen over de baai razen. Het geluid van regen op het dek overstemt bijna alles. Soms lijkt het alsof duizenden kleine vingers tegelijk op de boot tikken, dan weer verandert het in een oorverdovend geraas wanneer een nieuwe bui zich boven ons opent.
Toch heeft het landschap iets bijzonders. De kleuren zijn teruggebracht tot slechts enkele tinten: het donkere grijs van de wolken, het zilverachtige water en het zachte groen van het eiland dat door de regen heen probeert zichtbaar te blijven. Het is niet het tropische Fiji van ansichtkaarten en turquoise lagunes, maar een ruwer, eerlijker gezicht van de eilanden. Een gezicht dat laat zien hoe klein je je soms kunt voelen op zee wanneer de natuur besluit de regie volledig over te nemen.
Terwijl de regen blijft vallen en de wind door het want fluit, lijkt de tijd even stil te staan. Er valt niets te plannen, niets te haasten en nergens heen te gaan. Er is alleen het wachten. Wachten op een verandering in de lucht, op een gaatje in het weer, op dat ene moment waarop de oceaan besluit dat het weer tijd is om verder te trekken.
En juist in die uren besef je opnieuw een van de belangrijkste lessen van het zeilen: de zee laat zich niet dwingen. Soms is de grootste prestatie niet het afleggen van mijlen, maar simpelweg geduldig wachten totdat de natuur je weer verder laat gaan.
We houden via de berichten heen en weer contact met Barbara en Ralph. Net als wij liggen ook zij veilig voor anker en kijken ze uit over dezelfde grijze wereld van regen, wind en lage wolken. Al snel wordt duidelijk dat niemand er echt aan denkt om vandaag nog verder te varen. Natuurlijk kijken we allemaal regelmatig naar de weerkaarten, vergelijken we voorspellingen en speuren we naar dat ene kleine gaatje in het weer waar zeilers altijd op hopen, maar diep van binnen weten we eigenlijk al wat de verstandigste keuze is. Soms moet je accepteren dat de oceaan vandaag niet met je mee wil werken.
Wanneer dat besluit eenmaal genomen is, valt er een bepaalde rust over de boot. De druk om te vertrekken verdwijnt en ineens hoeft er niets meer. Geen routes plannen, geen aankomsttijden berekenen en geen voortdurend kijken naar de horizon om te beoordelen of de omstandigheden misschien toch verbeteren.
Voor mij betekent zo’n dag meestal dat ik mijn laptop erbij pak. Terwijl buiten de regen onophoudelijk op het dek blijft tikken en de wind af en toe een nieuwe vlaag over de baai jaagt, kruip ik met een kop thee aan de salontafel naar binnen. Vaak werk ik dan verder aan een nieuwe blog, waarin ik de avonturen van de afgelopen dagen probeer vast te leggen zolang de herinneringen nog vers zijn. Op andere momenten verdwijn ik in de kleurrijke onderwaterwereld van Dot, het kleine blauwe visje met drie stippen op haar zij, uit het kinderboek waar ik onderweg aan werk en dat inmiddels een eigen leven lijkt te leiden. Dan zit ik urenlang verhalen te bedenken over ontmoetingen met walvissen, manta’s en andere bewoners van de oceaan, terwijl buiten de echte oceaan tegen de romp klotst.
Jeroen is ondertussen zelden iemand die lang stil kan zitten. Waar ik schrijf, loopt hij meestal een rondje door de boot om te kijken of alles nog naar behoren functioneert. Op een zeilboot is er immers altijd wel iets dat aandacht nodig heeft. Een controle van de accu’s, een blik op de laadstroom van de zonnepanelen, een inspectie van een pomp of een apparaat dat misschien nét iets anders klinkt dan normaal. Soms vindt hij daadwerkelijk iets dat aandacht nodig heeft, maar meestal eindigt zo’n inspectieronde met de geruststellende conclusie dat alles nog steeds doet wat het moet doen. Toch geeft het hem zichtbaar voldoening. Een boot die goed onderhouden wordt, geeft vertrouwen voor de volgende etappe.
Buiten lijkt de regen echter geen enkele intentie te hebben om op te houden. Uur na uur trekken nieuwe buien over Makogai. Af en toe denken we dat het wat lichter wordt, maar telkens verschijnt er weer een nieuwe donkere wolkenband aan de horizon die de baai opnieuw in grijstinten hult. Tegen de tijd dat de lunch achter de rug is en de regen nog altijd met dezelfde vastberadenheid naar beneden komt als in de ochtend, kijken we elkaar aan en besluiten dat het tijd is voor iets anders.
We installeren ons samen in de salon, zetten een film op en laten de buitenwereld even voor wat ze is. Terwijl de wind door het want fluit en regendruppels ritmisch tegen de ramen slaan, kijken we ontspannen naar het scherm. Het zijn misschien niet de avonturen waar mensen aan denken wanneer ze dromen van een leven op een tropische zeilboot, maar juist dit soort momenten horen er net zo goed bij. Dagen waarop je niet zeilt, niet snorkelt en geen nieuwe eilanden ontdekt, maar simpelweg samen schuilt voor het weer, geniet van elkaars gezelschap en wacht tot de oceaan besluit dat het weer tijd is om verder te gaan.
Rond drie uur in de middag gebeurt er iets waar we eigenlijk niet meer op hadden gerekend. Na een dag van regen, zware wolken en harde wind begint de lucht langzaam open te trekken. Eerst verschijnt er ergens boven de heuvels van Makogai een klein stukje blauw, daarna verdwijnen de laatste regendruppels en niet veel later laat zelfs de zon zich voorzichtig zien. Het is alsof iemand plotseling een gordijn openschuift en de wereld weer kleur geeft.
Niet veel later ontvangt Jeroen een bericht van Ralph. Of hij zin heeft om mee te gaan om de westelijke pass te bekijken. Als die inderdaad bevaarbaar blijkt te zijn, kunnen we een groot deel van de route tussen de riffen overslaan en vrijwel direct de oceaan op. In Fiji hebben we inmiddels geleerd dat kaarten niet altijd de waarheid vertellen, dus een inspectie ter plaatse is geen overbodige luxe. Ralph komt Jeroen ophalen met de dinghy en terwijl zij richting de pass vertrekken, blijf ik aan boord achter. Vanaf My Motu kijk ik hoe de lucht steeds verder opklaart. Ongeveer drie kwartier later zie ik de dinghy terugkeren. De pass ligt inderdaad waar de kaart aangeeft dat hij ligt en, belangrijker nog, hij is breed genoeg om veilig te gebruiken.
Jeroen en Ralph halen mij op en we gaan naar Lille Venn, waar Barbara inmiddels verse muffins heeft gebakken. Terwijl buiten de lucht steeds vriendelijker oogt, zitten we met een kop koffie rond de tafel en bespreken we wat Ralph en Jeroen hebben gezien. De kaarten komen opnieuw tevoorschijn, net als de weerberichten die we die ochtend al meerdere keren hebben bekeken. Op het scherm zien we dat de enorme regen- en onweerscel die eerder recht op ons af leek te komen inmiddels noordelijker trekt. De dreigende zwarte massa die urenlang onze aandacht had opgeëist, lijkt ons voorlopig met rust te laten.
Langzaam verandert de sfeer aan tafel. Waar we een paar uur eerder allemaal nog overtuigd waren dat we zouden blijven liggen, wordt nu voorzichtig een ander scenario besproken. Als we vertrekken, moeten we wel meteen gaan. Als we nog langer wachten, moeten we de westelijke pass in het donker passeren, en dat is voor niemand een aantrekkelijke optie. Daarnaast zal de westerlijke wind ons naar het eiland Fulaga brengen, dat in het zuidoostelijkste puntje van de Lau-groep ligt.
Terwijl de anderen de mogelijkheden bespreken, voel ik van binnen hoe snel mijn hoofd probeert mee te schakelen met de situatie. Dat soort abrupte veranderingen vind ik niet altijd gemakkelijk. Urenlang ben ik mentaal ingesteld op blijven liggen, op een rustige avond aan boord en misschien nog een tweede film terwijl de regen tegen de ramen tikt. En ineens ligt er een compleet ander plan op tafel. Niet morgen vertrekken, maar vandaag. Niet nog een nacht voor anker, maar direct de oceaan op.
Op zulke momenten merk ik dat mijn hoofd soms even vastloopt. Niet omdat ik het niet wil, maar omdat alles ineens zo snel gaat. Terwijl mijn verstand nog bezig is alle voors en tegens af te wegen, is de beslissing eigenlijk al genomen. Achteraf begrijp ik meestal heel goed waarom iets de juiste keuze was, maar op het moment zelf voelt het soms alsof de gebeurtenissen sneller gaan dan mijn gedachten kunnen bijhouden.
Voordat ik goed en wel aan het idee gewend ben geraakt, zijn beide boten al bezig met de voorbereidingen. Ankers worden opgehaald, spullen opgeborgen, motoren gestart. De ontspannen sfeer van een regenachtige middag maakt binnen enkele minuten plaats voor de vertrouwde energie die ontstaat wanneer een vertrek plotseling werkelijkheid wordt.
Even later varen we achter elkaar richting de westelijke pass. Buiten de beschutting van de baai laat de oceaan direct merken dat ze nog lang niet tot rust is gekomen. Er staat ruim twintig knopen wind recht op onze neus en zodra we de bescherming van het rif verlaten, beginnen ook de golven zich te laten gelden. My Motu klimt tegen de eerste steile golven op, valt vervolgens in het dal erachter en krijgt vrijwel direct de volgende waterberg te verwerken. Mijn aandacht gaat volledig naar het sturen van de boot. Iedere golf vraagt om een kleine correctie, iedere windvlaag om concentratie.
Dan zie ik op het AIS-scherm iets vreemds gebeuren.
Lille Venn draait om.
Eerst denk ik dat ik verkeerd kijk, maar al snel wordt duidelijk dat ze daadwerkelijk terugkeren richting de baai. Ik heb nauwelijks tijd om erover na te denken. De zee vraagt al mijn aandacht en ik probeer vooral My Motu netjes op koers te houden terwijl de boeg zich telkens opnieuw in de volgende golf boort.
Dan verschijnt er een bericht van Barbara.
Er is iets kapot gegaan aan het grootzeil. Onmiddellijk voel ik een knoop in mijn maag. Niet alleen omdat pech nooit gelegen komt, maar vooral omdat het snel donkerder begint te worden. Ralph zal de mast in moeten om het probleem te verhelpen voordat ze hun tocht kunnen vervolgen. Terwijl ik naar de golven kijk die onder ons door rollen, probeer ik me voor te stellen hoe het moet zijn om onder deze omstandigheden een mast te beklimmen.
Lille Venn blijft enige tijd voor de pass op en neer varen. Op het AIS-scherm zie ik hun koerslijn heen en weer bewegen terwijl Ralph het probleem probeert op te lossen. Uiteindelijk draaien ze opnieuw richting de doorgang en verdwijnen ook zij naar de oceaanzijde van het rif.
Ondertussen varen wij verder, maar mijn blik blijft regelmatig terugkeren naar het scherm. Je probeert je te concentreren op je eigen boot, op de koers, op de wind en de zee, maar ergens blijft dat knagende gevoel aanwezig. Want juist op zee weet je hoe snel een gewone vertrekdag kan veranderen in een situatie die een uur eerder niemand had zien aankomen.
Wanneer de zon langzaam achter de horizon verdwijnt en de laatste oranje tinten uit de lucht verdwijnen, begint voor mij een heel ander gevecht. De misselijkheid dient zich vrijwel direct aan. De lucht zit volledig dicht met wolken en er is geen maan of ster te bekennen. Buiten bestaat de wereld uit niets meer dan duisternis, zwarte golven en het schuim dat af en toe oplicht wanneer een golf breekt. Het ontbreken van een horizon maakt het alleen maar erger. Mijn ogen zoeken voortdurend naar een vast punt, maar vinden niets.
We zeilen hoog aan de wind en de boot maakt scherpe, onrustige bewegingen. De golven bouwen verder op tot zo’n drie meter hoogte, maar het zijn niet eens de hoogteverschillen die het zwaar maken. Het is vooral de korte periode tussen de golven. Soms zit er nauwelijks twee seconden tussen de toppen, waardoor My Motu geen enkel moment rust krijgt. Ze klimt tegen een golf op, valt met een dreun in het dal erachter, klimt direct weer omhoog en wordt vrijwel onmiddellijk tegengehouden door de volgende muur van water. Regelmatig slaan grote golven over het voordek en spoelt het water luidruchtig langs de gangboorden naar achteren.
Toch maken we vooruitgang. Langzaam, moeizaam en lang niet zo snel als gehoopt, maar we gaan tenminste de goede kant op.
Rond één uur ‘s nachts heeft Jeroen wacht. Ik lig net een beetje weg te dommelen wanneer hij me wakker maakt. Half slaperig klim ik de cockpit in en kijk naar het scherm.
Fiji blijkt opnieuw andere plannen voor ons te hebben.
De wind is gedurende de nacht steeds verder naar het oosten gedraaid dan voorspeld. Onze zorgvuldig berekende koers wordt met elk uur minder gunstig. Langzaam maar zeker worden we gedwongen verder naar het zuiden af te vallen. Op de AIS zien we dat Lille Venn exact hetzelfde doet.
We sturen wat berichten heen en weer en Ralph laat weten dat zij beschutting gaan zoeken bij Moala Island. Ook zij hebben inmiddels last van zeeziekte en voelen dat het tijd is om even uit te rusten. De wind trekt verder aan en blijft rond de dertig knopen hangen. Nergens lijkt een einde te komen aan het gestamp, het rollen en het voortdurende lawaai van brekend water.
Meer dan eens denk ik aan Barbara en Ralph. Ik weet hoe oncomfortabel Lille Venn wordt zodra de golven boven de twee meter uitkomen. Mensen prijzen vaak het comfort van twee rompen, maar in deze korte, steile zee ben ik stiekem blij dat My Motu een zware monohull is. Ze beweegt misschien heftig, maar haar bewegingen voelen voorspelbaar. Vertrouwd zelfs.
Het weeïge gevoel in mijn maag blijft ondertussen hardnekkig aanwezig. De blauwe emmer naast me is op dat moment mijn trouwste vriend. Pas wanneer er af en toe weer een stukje horizon zichtbaar wordt tussen de golven, begint de misselijkheid langzaam af te nemen.
Rond één uur in de middag bereiken we eindelijk de beschutting van Moala Island. Tegen die tijd hebben beide boten al meer dan twaalf uur gevochten tegen harde wind en steile oceaangolven. Vrijwel direct merken we het verschil. Buiten het eiland blijft de oceaan onverminderd tekeergaan, maar achter de hoge landmassa verdwijnen de grootste golven alsof iemand een schakelaar omzet.
Ankeren blijkt helaas geen optie en er is ook geen pass waar we doorheen kunnen. De dieptes lopen te snel af en een geschikte ankerplaats kunnen we nergens vinden. In eerste instantie besluiten wij met een klein stukje zeil op en neer te blijven zeilen achter het eiland, terwijl Lille Venn simpelweg de motor uitzet en begint te driften.
Dat laatste hebben wij nog nooit gedaan.
Nieuwsgierig kijken we hoe hun boot rustig meebeweegt met de wind en de stroom. Na enig overleg besluiten we hetzelfde te proberen. Niet veel later zetten ook wij de motor uit en laten we My Motu, dicht achter het eiland, vrij over de oceaan drijven.
Het voelt vreemd. Na uren waarin alles draaide om sturen, corrigeren, golven ontwijken en proberen de misselijkheid onder controle te houden, doen we ineens helemaal niets.
Voor het eerst in bijna een etmaal voel ik mijn lichaam ontspannen. Pas dan merk ik hoe moe ik eigenlijk ben geworden. De spanning die zich ongemerkt heeft opgebouwd tijdens de lange nacht op zee zakt langzaam weg. Mijn schouders ontspannen zich, mijn maag komt enigszins tot rust en de voortdurende alertheid maakt plaats voor iets wat verdacht veel op opluchting lijkt.
Vijf uur lang dobberen we in de luwte van het eiland terwijl de oceaan buiten blijft razen. Het verschil tussen beschutting en de open oceaan voelt bijna onwerkelijk. We slapen wat, drinken voorzichtig water, proberen iets te eten en komen langzaam weer een beetje bij.
Alleen Jeroen lijkt nergens last van te hebben. Terwijl de rest van ons verschillende tinten groen aannam van zeeziekte, bewoog hij zich door de boot alsof het een gewone werkdag was. Ik had daardoor de luxe om wat extra uren slaap te pakken, iets waar mijn lichaam op dat moment meer behoefte aan had dan ik zelf had beseft.
Wanneer we rond zes uur in de avond opnieuw besluiten te vertrekken en bijna langs het eiland zijn gezeild, zien we in de verte de eerste lichtflitsen door de lucht trekken. Aan de horizon bouwt zich opnieuw een donkere onweerscel op en tegelijkertijd begint de wind weer toe te nemen richting de dertig knopen.
Het voelt alsof de oceaan ons nog één keer op de proef wil stellen.
We kijken naar de donkere wolkenmassa die zich voor ons opbouwt, kijken vervolgens naar elkaar en weten allebei hetzelfde. Zonder discussie draaien we om. Soms vraagt goed zeemanschap niet om moed, maar juist om geduld. Soms is omkeren geen teken van zwakte, maar simpelweg de verstandigste keuze die je kunt maken.
We appen Barbara en Ralph, die nog achter ons varen. Hun reactie laat niet lang op zich wachten. Ze zijn zichtbaar opgelucht dat ze ook kunnen omkeren en nog een paar extra uren slaap kunnen pakken voordat we een nieuwe poging wagen.
Pas rond half één in de nacht neemt de wind eindelijk voldoende af. Voorzichtig zetten we opnieuw koers. Oorspronkelijk wilden we nog beschutting zoeken bij een ander eiland waar we eventueel konden ankeren, maar dan gebeurt er iets wat niemand had verwacht.
De wind draait. Niet een klein beetje. Niet net voldoende. Maar precies de goede kant op. We grijpen de kans onmiddellijk aan en zetten rechtstreeks koers naar Fulaga.
Zes uur lang zeilen we onder een hemel vol sterren terwijl de zee langzaam kalmer wordt. Daarna sterft de wind volledig weg. De zeilen hangen slap langs de masten, het water verandert in een donkere spiegel en uiteindelijk starten we de motor.
Haast hebben we allang niet meer. Fulaga is te ver weg om het voor het donker te bereiken en aangezien Fulaga een zeer nauwe en smalle pass heeft, die we niet kennen, zullen we daar alleen naar binnen varen als het licht is.
Dus sukkelen we met drie tot vier knopen door de nacht, terwijl het eiland ergens ver voor ons verborgen ligt in de duisternis, wachtend tot wij eindelijk arriveren.
Ongeveer vijfentwintig mijl voor Fulaga nemen onze wegen tijdelijk afscheid van elkaar. Barbara en Ralph besluiten het rustiger aan te doen en gooien het anker uit om eerst een paar uur slaap te pakken voordat ze verder varen. Na de twee dagen die achter ons liggen is dat een meer dan begrijpelijke keuze. Vermoeidheid stapelt zich op, concentratie wordt kostbaar en niemand wint iets door uitgeput een rifpassage binnen te varen.
Wij besluiten echter iets anders te doen.
Langzaam motoren we verder richting Fulaga. De zee is inmiddels bijna vlak geworden en de spanning van de afgelopen dagen lijkt met iedere mijl verder achter ons te verdwijnen. Rond middernacht arriveren we voor het eiland. Op ongeveer anderhalve mijl van de pass zetten we de motor uit en laten we My Motu simpelweg drijven op de open oceaan.
Geen geluid van een motor. Geen klapperende zeilen. Geen haast. Alleen de oceaan. Achteraf blijkt het een van de mooiste momenten van de hele reis naar de Lau Group te zijn.
Fulaga ligt als een donkere schaduw aan de horizon, duidelijk zichtbaar onder een hemel vol sterren. We hebben geen enkele behoefte om in het donker een onbekende rifpassage binnen te varen. Na alles wat Fiji ons de afgelopen weken heeft geleerd, weten we dat geduld vaak de verstandigste keuze is. Dus laten we de boot rustig meedrijven met wind en stroom terwijl het eiland langzaam wacht op de komst van een nieuwe dag.
Rond half vier neem ik de wacht van Jeroen over. Terwijl hij zijn kooi opzoekt, nestel ik mij in de cockpit met een deken om mijn schouders. Boven mij strekt zich een sterrenhemel uit zoals je die alleen midden op de oceaan ziet. Duizenden sterren lijken zo helder dat het bijna voelt alsof je ze kunt aanraken.
Wat er daarna volgt is moeilijk onder woorden te brengen.
Met regelmaat schieten vallende sterren door de lucht. Onder de boot gebeurt ondertussen iets merkwaardigs. De dieptemeter springt voortdurend van oneindig diep naar vijf meter, vier meter, soms zelfs drie meter, om vervolgens weer niets aan te geven. Waarschijnlijk zwemt er een grote vis onder de boot, of misschien een school kleinere vissen die zich onder de romp verzamelt. We zullen het nooit zeker weten, maar juist dat mysterie maakt het bijzonder. Hier, midden op de oceaan, herinneren zulke kleine momenten je eraan dat er onder het wateroppervlak een complete wereld leeft die wij nauwelijks kennen.
Langzaam verstrijken de uren. Gedurende de hele nacht zien we niemand. Geen enkel schip. Geen lichtvervuiling. Geen telefoons die afgaan.
Alleen het zachte wiegen van de boot op de oceaandeining en af en toe een licht briesje dat langs mijn gezicht strijkt.
Verder niets.
Alleen de sterren boven ons en het donkere water onder ons.
Soms zijn het juist de momenten waarop er helemaal niets gebeurt die je het langst bijblijven.
Twee dagen eerder zaten we nog midden in een gevecht met harde wind, steile golven, misselijkheid en onweersbuien die als donkere bergen uit de horizon oprezen. Toen voelde de oceaan grillig, onrustig en onvoorspelbaar. Nu lijkt diezelfde oceaan ons zachtjes in haar armen te sluiten.
Alsof ze wil zeggen:
Jullie zijn er.
Welkom.
Rond half zes verschijnt langzaam een eerste streep licht aan de oostelijke horizon. De nacht maakt plaats voor de ochtend en stukje bij beetje worden de contouren van Fulaga zichtbaar. Omdat er geen enkele reden is om haast te maken, laat ik Jeroen nog wat langer slapen. Ondertussen klimt de zon langzaam boven de horizon en kleurt de lucht eerst diep oranje, daarna zachtroze en uiteindelijk helderblauw.




We zetten koffie. Ontbijten rustig in de cockpit en genieten van iets wat we de afgelopen dagen nauwelijks hebben gehad.
Volledige ontspanning.
Pas daarna starten we de motor. Langzaam varen we richting de smalle ingang van Fulaga. Zelfs nu blijven we alert. Fiji heeft ons inmiddels geleerd dat een paradijs nog steeds riffen, ondieptes en verrassingen kan verbergen. Maar zodra we de pass binnenvaren en het rif achter ons laten, verdwijnen de laatste restjes spanning.

We kijken elkaar aan met een grote glimlach en woorden schieten tekort.
Om ons heen ontvouwt zich een landschap dat bijna onmogelijk echt lijkt. Het water verandert van diep oceaanblauw naar een kleur turquoise die je normaal alleen op ansichtkaarten ziet. Tientallen kleine kalkstenen eilandjes rijzen op uit de lagune, omringd door witte stranden en water dat zo helder is dat het koraal vanaf de boot zichtbaar is.
Het is het soort plek waarvan je jarenlang foto’s ziet en waarvan je stiekem denkt dat de werkelijkheid nooit zo mooi kan zijn.
En toch is ze dat.
Misschien zelfs mooier.
Maar wat ons misschien nog wel het meest raakt, is niet het uitzicht, maar het gevoel dat erbij hoort.
Na dagen van plannen, wachten op weer, uitstellen, misselijkheid, tegenwind, onweer en vermoeidheid voelen we hier eindelijk iets wat we onderweg even waren kwijtgeraakt: rust.
Niet de rust van een beschutte ankerplaats of een kalme zee, maar de rust die ontstaat wanneer je beseft dat alle puzzelstukjes uiteindelijk op hun plek zijn gevallen.



Voor nu zitten we simpelweg in de cockpit en kijken uit over een lagune die bijna te mooi lijkt om echt te zijn. Terwijl het water in alle tinten blauw en groen om ons heen schittert, beseffen we dat alle uren van tegenwind, alle slapeloze nachten, alle twijfels en alle omwegen onderweg ons precies hierheen hebben gebracht.
Ons avontuur in de Lau Group is eindelijk begonnen.


REACTIES AAN BOORD
Laat een bericht achter
Deel een gedachte, vraag of groet. Je reactie wordt eerst door Aagje gelezen voordat hij hier verschijnt.
Reacties laden…