MY MOTU SAILING LOG
Menu
/
Terug naar Fulaga, een walvis, een donkere ankerplek en twee regenbogen
Terug naar alle blogs

LOGBOEK · FIJI

Terug naar Fulaga, een walvis, een donkere ankerplek en twee regenbogen

10 september 2026 · Aagje van den Heuvel

Na geruime tijd in Naqaiqai Bay te hebben gelegen, waar we het ontzettend naar onze zin hadden en inmiddels bijna gewend waren geraakt aan het rustige ritme van de baai, kwam er op een dag onverwacht beweging in onze plannen. Jeroen kreeg een berichtje van Stefan, de eigenaar van een andere Amel Super Maramu die we tijdens onze reis al een paar keer waren tegengekomen.

Zijn waterlock was kapot en zonder dat onderdeel kon hij zijn motor niet meer starten. Nu is een waterlock niet bepaald iets wat je op een afgelegen eiland in Fiji even uit het schap trekt, dus Stefan had een probleem. Toevallig hadden wij er voor My Motu eentje als reserve aan boord.

Jeroen is graag voorbereid op alles wat er onderweg met onze inmiddels 36 jaar oude dame kapot zou kunnen gaan en door de jaren heen hebben we dan ook een behoorlijke verzameling reserveonderdelen opgebouwd. Sommige liggen al jaren onaangeroerd in een kast of onder een vloerluik en eerlijk gezegd weet ik van een groot deel waarschijnlijk niet eens dat we ze aan boord hebben. Maar juist op dit soort momenten blijkt hoe waardevol het kan zijn om een onderdeel mee te slepen waarvan je hoopt dat je het zelf nooit nodig zult hebben.

Stefan lag ongeveer dertien zeemijl bij ons vandaan en daarom besloten we de volgende dag zijn kant op te varen. Hij kon onze reserve-waterlock tijdelijk gebruiken en met een werkende motor verder richting Lautoka, waar hij een nieuw exemplaar kon regelen. Uiteindelijk krijgen wij onze waterlock natuurlijk weer terug, want ook voor ons is het een belangrijk onderdeel dat niet zomaar overal verkrijgbaar is, maar daar hoefden we niet lang over na te denken. Als iemand met hetzelfde type boot zo dichtbij ligt en jij hebt precies datgene aan boord waarmee hij verder kan, dan help je elkaar.

Dat is een van de dingen die ik mooi blijf vinden aan het cruisersleven. We varen allemaal onze eigen route en hebben onze eigen plannen, maar zodra iemand een probleem heeft, wordt er gekeken wie kan helpen. De ene keer is dat met gereedschap, de andere keer met kennis, een paar liter diesel, een reserveonderdeel of simpelweg twee extra handen.

De volgende dag haalden we het anker op en verlieten we Naqaiqai Bay voor het relatief korte tochtje naar Stefan. Voor mij hadden we aan dek een goede schaduwplek gemaakt, want door mijn huidbehandeling moest ik nog steeds ontzettend voorzichtig zijn met de zon en mocht ik mijn huid absoluut niet onnodig blootstellen aan het felle zonlicht.

Met bedekkende kleding, mijn gezicht bijna helemaal beschermd en iets wat nog het meest weg had van een skimasker, zag ik er waarschijnlijk eerder uit alsof ik op weg was naar een sneeuwstorm dan alsof ik over de tropische wateren van Fiji voer. Erg charmant was het niet, maar inmiddels kon mij dat weinig meer schelen. Zolang mijn huid beschermd bleef en ik toch weer wat meer buiten kon zijn, vond ik het allang prima.

En eigenlijk genoot ik er ontzettend van.

Na zoveel tijd waarin de zon vooral iets was geworden waarvoor ik mij moest verstoppen, was het heerlijk om weer buiten te zitten, de wind te voelen en naar het water te kijken terwijl My Motu rustig haar weg vervolgde. Wanneer je een tijdje voornamelijk binnen hebt moeten zitten, merk je pas hoeveel van dit leven zich buiten afspeelt en hoeveel je mist wanneer je daar niet gewoon aan mee kunt doen.

Rond vier uur in de middag kwamen we bij Stefan aan en Jeroen stapte met onze reserve-waterlock in de dinghy om hem het onderdeel te brengen. Daarmee kon Stefan zijn motor weer starten en zijn reis richting Lautoka voortzetten. Wij besloten daarna niet meteen ergens naartoe te haasten, maar langzaam langs de kust van Taveuni verder naar het zuiden te varen.

We hadden geen strak schema en eigenlijk ook nog geen definitief plan voor de dagen daarna, dus stopten we onderweg bij verschillende ankerplekken en bekeken we gewoon van dag tot dag waar we zin in hadden.

Uiteindelijk kwamen we terecht bij de ankerplaats bij Paradise Island, waar ook een resort ligt en waar we besloten die avond eens aan wal te gaan. Er waren verschillende andere cruisers en zoals dat zo vaak gaat wanneer je een groep zeilers bij elkaar zet, ontstond er zonder dat iemand iets had georganiseerd vanzelf een gezellige avond.

We raakten aan de praat, schoven bij anderen aan en besloten daar ook een hapje te eten, terwijl de verhalen over waar iedereen vandaan kwam, wat er onderweg allemaal was gebeurd en waar iedereen vervolgens weer naartoe wilde vanzelf over tafel gingen. Het zijn van die avonden die vooraf nergens in de planning staan, maar uiteindelijk juist ontzettend gezellig worden.

De volgende ochtend wilden we vroeg vertrekken richting Savusavu, terwijl Flora en Lille Venn hadden aangegeven later ook die kant op te komen. Toen we het anker ophaalden, bleek al snel dat we een van die heerlijke zeildagen cadeau kregen waarop eigenlijk alles klopt.

Er stond ongeveer vijftien knopen wind, we hadden hem mooi van halve wind, de zon scheen en My Motu liep heerlijk door het water. Mijn schaduwplek werd opnieuw ingericht en terwijl ik daar volledig beschermd tegen de zon met een luisterboek zat te genieten, liet Jeroen de vislijn achter de boot zakken en hield hij ondertussen de zeilen en de wind in de gaten.

Het werd zo'n tocht waarbij je bijna vergeet hoe snel de uren voorbijgaan. Geen zeilen die voortdurend moeten worden gewisseld, geen vervelende golven die precies verkeerd binnenkomen en geen wind die iedere tien minuten besluit iets anders te gaan doen, maar gewoon een boot die lekker loopt terwijl de ene zeemijl na de andere onder de kiel doorgaat.

Vlak voordat we de ingang richting Savusavu bereikten, begon ineens de vislijn af te lopen en bleek er een bonito aan onze haak te zitten. Geen yellowfin dit keer, die we het liefst gebruiken wanneer we sushi willen maken, maar een mooie bonito die die avond lekker bereid op ons bord zou belanden. Veel verser dan een vis die een paar uur eerder nog naast je boot door de Pacific zwom, kun je het natuurlijk niet krijgen.

We voeren niet helemaal door naar de drukte voor het stadje Savusavu, maar ankerden opnieuw voor het Cousteau Resort, waar we eerder al prettig hadden gelegen. We genoten nog veel te veel van de rust om ons heen en dus maakte ik daar die avond een lekkere maaltijd van onze versgevangen bonito, waarna het niet lang duurde voordat we allebei besloten dat ons bed eigenlijk de beste plek was om deze heerlijke zeildag af te sluiten.

De volgende ochtend stonden we vroeg op. Zolang de zon nog laag stond en niet zo fel was, kon ik redelijk goed naar buiten en dus besloten we die koele uren te gebruiken om naar Savusavu te wandelen.

Vanaf het Cousteau Resort was dat ruim zes kilometer lopen, maar na zoveel tijd op een boot vinden we het heerlijk om onze benen weer eens echt te gebruiken. Aan boord beweeg je natuurlijk de hele dag, maar veel verder dan zestien meter kun je nooit één kant op lopen voordat de boot simpelweg ophoudt.

We hadden niet veel nodig, want voorlopig wilden we hier nog maar een paar dagen blijven, maar wel een paar belangrijke ingrediënten waarmee ik weer brood kon bakken en natuurlijk verse groenten en fruit van de lokale markt.

Ik vind die markten nog steeds heerlijk. Je loopt er niet met een vast boodschappenlijstje zoals thuis door een supermarkt, maar kijkt vooral naar wat er die dag ligt en bedenkt vervolgens wat je daarmee kunt maken. Stapels papaja's, bananen, cassave, aubergines, tomaten, kruiden en allerlei andere lokale producten liggen naast elkaar en vaak bepaalt wat er die dag mooi uitziet vanzelf wat we de komende dagen eten.

Met onze tassen gevuld liepen we weer terug naar My Motu, waar we nog twee rustige dagen bleven voordat onze vrienden eveneens richting Savusavu kwamen.

Twee dagen later zagen we Flora en Lille Venn langskomen. Zij hadden allebei een reservering in Nawi Marina en voeren daarom meteen verder, terwijl wij nog een dag op onze rustige plek bleven liggen. Daarna vertrokken ook wij richting het stadje. In plaats van Nawi Marina kozen we voor een mooringball net om de hoek, waardoor we dichtbij genoeg lagen om gemakkelijk bij iedereen langs te gaan, maar toch gewoon op My Motu konden blijven wonen zoals we dat het liefste doen.

Inmiddels begonnen onze plannen voor de periode daarna steeds duidelijker te worden. Flora dacht erover richting Kadavu te varen, terwijl Jeroen en ik samen met Ralph van Lille Venn steeds vaker naar de weersverwachtingen voor de Lau Group en Fulaga keken. Het idee om terug te gaan werd steeds aantrekkelijker en als we dat zouden doen, was Savusavu voorlopig onze laatste echte mogelijkheid om My Motu goed te bevoorraden.

Twee dagen lang waren we bezig met inkopen doen, sjouwen, uitzoeken wat lang houdbaar was en bedenken hoeveel we werkelijk nodig zouden hebben om ongeveer anderhalve maand off-grid te kunnen leven. Houdbare producten verdwenen in de kasten, meel en andere ingrediënten voor brood werden aangevuld en we namen zoveel mogelijk groenten en fruit mee waarvan we wisten dat ze aan boord een tijdje goed konden blijven. Langzaam veranderde My Motu in een goed gevulde drijvende voorraadkast.

Dat blijft een heel andere manier van boodschappen doen dan wanneer je weet dat je over twee dagen weer naar een supermarkt kunt. Tussen de afgelegen eilanden van de Lau Group is er geen winkel om de hoek waar we even melk, meel of groenten kunnen halen. Je probeert daarom vooraf te bedenken wat je anderhalve maand later misschien nog nodig hebt, terwijl je tegelijkertijd weet dat er altijd wel iets is wat je vergeet.

Maar uiteindelijk waren de kasten vol, de koelkast en vriezer gevuld en waren wij klaar om opnieuw voor langere tijd weg te gaan van winkels, marina's en stadjes.

Eerst hadden we nog een paar gezellige dagen samen voor de boeg. Barbara zou namelijk voor twee maanden naar Zwitserland vertrekken en omdat we wisten dat we haar voorlopig niet meer zouden zien, besloten we er met elkaar nog vier mooie dagen van te maken. We speelden spelletjes, gingen samen uit eten, brachten tijd bij elkaar aan boord door en genoten vooral van het feit dat we nog even allemaal op dezelfde plek lagen voordat onze routes weer uit elkaar zouden gaan.

Dat is misschien wel een van de meest bijzondere kanten van jarenlang reizen met een zeilboot. Je ontmoet mensen ergens op een eiland, vaart een tijdje samen op, neemt afscheid omdat iedereen een andere richting kiest en vervolgens kom je elkaar honderden zeemijlen verder ineens weer tegen. Sommige boten zie je één keer en daarna nooit meer, terwijl andere mensen steeds opnieuw in je reis verschijnen en langzaam echte vrienden worden.

Na vier dagen was het tijd om Barbara een goede reis naar Zwitserland te wensen. Flora besloot richting Kadavu te varen, terwijl Jeroen en ik samen met Ralph onze blik definitief de andere kant op richtten.

Wij gingen terug naar Fulaga.

Het weer werkte alleen nog niet mee en daarom vertrokken we op een dag met weinig wind eerst terug richting Paradise Island. Ook Ralph kwam met Lille Venn die kant op en zo lagen we opnieuw samen voor anker, dit keer voor twee nachten, terwijl we de voorspellingen voor de oversteek naar Fulaga nauwlettend in de gaten hielden.

Twee dagen wachten op beter weer is natuurlijk geen straf wanneer je bij een eiland als Taveuni ligt en dus besloten we niet alleen vanaf onze boten naar de kust te blijven kijken. Samen met Ralph gingen we een dag op pad voor een rondrit over het eiland, langs een paar bijzondere plekken die we tijdens onze eerdere stops nog niet hadden bezocht.

Een daarvan was de 180e lengtegraad, die op Taveuni wordt aangeduid als de internationale datumgrens. Het blijft een vreemd idee dat een denkbeeldige lijn bepaalt op welke datum je leeft en dat je hier symbolisch met een paar stappen van vandaag naar gisteren kunt lopen en net zo gemakkelijk weer terug. Natuurlijk verandert er in werkelijkheid niets: de zon blijft schijnen, de bomen blijven bewegen in de wind en ook je horloge trekt zich weinig aan van de stap die je zojuist hebt gezet. Toch konden we het niet laten een paar keer heen en weer te lopen. Het is tenslotte niet overal ter wereld mogelijk om binnen een paar seconden van de ene dag in de andere te stappen.

Daarna reden we verder naar een plek waar duizenden fruitvleermuizen, ook wel flying foxes of vleerhonden genoemd, leven. Al van een afstand zagen we de donkere vormen hoog tussen de bomen hangen en hoe langer we keken, hoe meer we er ontdekten. Overal hingen ze ondersteboven aan de takken, soms bijna roerloos met hun vleugels om zich heen gevouwen en dan ineens weer luidruchtig bewegend wanneer een van de dieren een andere plek opzocht. Af en toe vloog er eentje weg en pas wanneer je zo'n dier met zijn enorme vleugels tussen de boomtoppen ziet zweven, begrijp je echt waarom ze in het Engels flying foxes worden genoemd. Het waren er niet een paar honderd, maar duizenden, waardoor de bomen op sommige plekken bijna leken te leven.

Vervolgens wandelden we langs een rivier die bij voldoende water verandert in een natuurlijke glijbaan. Door het stromende water zijn de rotsen in de loop van de tijd zo glad geworden dat mensen zich, wanneer het waterpeil hoog genoeg staat, door de rivier naar beneden kunnen laten glijden. Helaas stond er op dat moment niet genoeg water om dat zelf te proberen, maar de wandeling langs de rivier en het idee hoe het er na flinke regenbuien uit moet zien, maakten het al een mooie stop. Misschien was het voor ons ook maar beter dat de natuur de glijbaan die dag gesloten hield, want we hadden nog een laatste, veel minder avontuurlijke missie op ons programma staan.

In Somosomo gingen we namelijk op zoek naar de ijscoman. Na een dag rondrijden, heen en weer stappen over de datumgrens, omhoog kijken naar duizenden flying foxes en wandelen langs de rivier, hadden we ons behoorlijk verheugd op een ijsje. Helaas bleek juist op het moment dat wij aankwamen de winkel gesloten te zijn. Daar stonden we dan: een heel eiland over gereden en uiteindelijk gestrand voor een dichte deur, zonder ijs.

Er zat weinig anders op dan onze teleurstelling te verwerken en terug te rijden naar Paradise Island, waar My Motu en Lille Venn rustig op ons lagen te wachten. Ook zonder ijs was het een ontzettend leuke dag geweest en juist doordat we geen strak programma hadden, maar gewoon samen over het eiland waren gereden en onderweg stopten bij alles wat ons bijzonder leek, hadden we opnieuw een heel andere kant van Taveuni gezien.

De volgende dag verscheen er een redelijk weervenster voor Fulaga. Het was zeker niet perfect, maar leek goed genoeg om een poging te wagen.

De eerste tien uur waren zelfs verrassend goed. We hadden een mooie wind die redelijk uit de juiste richting kwam, My Motu liep heerlijk en even leek het erop dat de weergoden ons gunstiger gezind waren dan de voorspellingen hadden doen vermoeden.

Helaas werd de wind daarna steeds zachter en draaide hij verder naar het zuiden dan we hadden gehoopt, waardoor onze koers richting Fulaga steeds moeilijker te bezeilen werd en we uiteindelijk weinig anders konden dan de motor starten.

We waren nog maar net een tijdje op de motor onderweg toen Jeroen en ik ineens een walvis zagen. Niet veel later bleek het dier op nog geen twintig meter van My Motu aan de oppervlakte te blijven.

Het maakt niet uit hoeveel walvissen we tijdens onze reis inmiddels hebben gezien, het went voor mij werkelijk nooit. Iedere keer wanneer zo'n enorme rug door het wateroppervlak breekt en je de ademhaling hoort, krijg ik opnieuw datzelfde euforische gevoel, alsof de rest van de wereld heel even niet meer bestaat en er alleen nog maar die walvis, de oceaan en onze boot zijn.

We hebben walvissen zien springen, moeders met kalveren gezien en ze soms van grote afstand gevolgd, maar wanneer zo'n enorm dier uit zichzelf zo dicht bij My Motu blijft, voelt dat nog steeds als een cadeau. Wij varen daar tenslotte gewoon door zijn wereld en het is de walvis die bepaalt of hij op afstand blijft of besluit even naast ons boven te komen.

We konden alleen maar kijken en genieten voordat hij uiteindelijk verderging en wij onze koers richting Fulaga vervolgden.

De wind bleef ondertussen verder afnemen en omdat we absoluut geen zin hadden om de hele resterende afstand op de motor af te leggen, besloten we een tussenstop te maken bij Cicia.

Bij Takurau Village zou een ankerplek zijn waar we de nacht konden doorbrengen. Overdag was het waarschijnlijk een vrij eenvoudige stop geweest, maar tegen de tijd dat wij Cicia bereikten was het ongeveer tien uur 's avonds en volledig donker.

We waren hier nog nooit geweest en dat maakte het ineens een stuk spannender.

Buiten zagen we vrijwel niets en dus moesten we volledig vertrouwen op onze navigatieapparatuur, de dieptemeter en de satellietbeelden waarop we vooraf hadden bekeken waar het koraal lag. Het water bleef bovendien heel lang ontzettend diep. We voeren steeds verder richting de ankerplek terwijl de dieptemeter maar nauwelijks veranderde en we tegelijkertijd op de satellietbeelden konden zien dat we ook niet onbeperkt door konden varen, omdat voor ons het koraal begon.

Op een gegeven moment liep de diepte vrij plotseling terug naar ongeveer 25 meter en moesten we een beslissing nemen. Veel verder wilden we niet en dus lieten we het anker op ongeveer 23 meter diepte zakken. Dat is sowieso al behoorlijk diep en betekent dat er flink wat ketting naar buiten moet voordat je voldoende lengte hebt om veilig te kunnen liggen.

We lieten het anker zakken, voeren voorzichtig achteruit en wachtten tot het zou pakken, maar dat gebeurde niet.

Het anker hield niet goed en dus zat er niets anders op dan die hele hoeveelheid ketting en het anker weer naar boven te halen, opnieuw positie te kiezen en het nog een keer te proberen. Om ons heen bleef het volledig donker en we wisten precies dat er ergens voor ons koraal lag zonder daar ook maar iets van te kunnen zien.

Bij de tweede poging voeren we iets anders aan en lieten we het anker op ongeveer twintig meter diepte zakken. Opnieuw ging de ketting naar buiten, opnieuw voeren we voorzichtig achteruit en dit keer voelden we gelukkig dat het anker zich goed vastzette.

Nadat we een tijdje hadden gecontroleerd of we werkelijk stevig lagen, konden we eindelijk iets ontspannen. Naar bed gingen we nog niet, want Ralph voer met Lille Venn ongeveer een uur achter ons en moest dezelfde onbekende ankerplek in het donker nog zien te vinden.

Ongeveer een uur later zagen we zijn navigatieverlichting dichterbij komen en pas nadat ook Ralph veilig voor anker lag, gingen Jeroen en ik naar binnen en zochten we ons bed op.

De volgende ochtend zouden we wel zien waar we eigenlijk terecht waren gekomen.

Toen het licht werd, zag de wereld er natuurlijk meteen een stuk vriendelijker uit en konden we ons klaarmaken voor het volgende gedeelte richting Fulaga. De omstandigheden waren bovendien zo mooi dat we besloten onze twee regenboogspinnakers tevoorschijn te halen, iets wat we niet iedere dag kunnen doen, maar wat iedere keer opnieuw een fantastisch gezicht is zodra beide enorme gekleurde zeilen voor My Motu staan.

Met relatief weinig wind liepen we ongeveer zeven knopen en urenlang vlogen we zo over het water, voortgetrokken door onze twee regenbogen terwijl de motor heerlijk uit kon blijven.

Dit zijn voor mij de momenten waarop zeilen bijna niet mooier kan worden. Niet vechten tegen de wind, geen motor die urenlang staat te brommen en geen boot die door vervelende golven wordt afgeremd, maar My Motu die met haar zestien meter bijna moeiteloos over het water glijdt terwijl twee enorme gekleurde zeilen iedere zucht wind opvangen die voorbij komt.

Bijna acht uur lang konden we zo blijven varen voordat de windhoek veranderde en we beide spinnakers weer naar beneden moesten halen. Daarna gingen de gewone zeilen weer aan het werk, waarmee we scherper aan de wind konden varen en onze koers richting Fulaga konden vervolgen.

Het werd uiteindelijk een heerlijke zeiltocht en terwijl de nacht langzaam plaatsmaakte voor de vroege ochtend, kwam de pass van Fulaga steeds dichterbij.

Rond zeven uur 's morgens lagen we ervoor.

De zee bij de ingang was spiegelglad en we hadden ongeveer twee knopen stroming mee, waardoor My Motu bijna door de pass naar binnen vloog. Na al die uren op zee was het geweldig om het landschap van Fulaga weer voor ons te zien verschijnen, met het heldere water, de grillige kleine kalkstenen eilandjes en alle kleuren groen en blauw die ervoor zorgen dat deze plek voor ons nog steeds tot de allermooiste plekken van Fiji behoort.

Rond acht uur lieten we het anker vallen en waren we terug op een plek waarvan we een paar weken eerder niet hadden gedacht dat we er zo snel alweer zouden liggen.

Onze timing had bovendien bijna niet beter gekund, want vanaf de volgende dag zou het flink gaan waaien. Normaal gesproken is zo'n voorspelling niet per definitie iets waar je als zeiler enthousiast van wordt, maar deze keer konden we bijna niet wachten: de wingfoils konden eindelijk weer tevoorschijn.

Bovendien lag Paspoort II hier nog steeds met Akky en Helwi, waardoor we niet alleen terugkwamen op een plek waar we eerder zo ontzettend van hadden genoten, maar ook meteen weer tussen bekende gezichten terechtkwamen.

Na onze lange, rustige tijd in Naqaiqai Bay waren we via een flinke omweg teruggekeerd naar Fulaga. Onderweg hadden we een andere zeiler geholpen, Taveuni verkend, duizenden flying foxes gezien, een walvis op nog geen twintig meter naast My Motu gehad, in het pikkedonker bij Cicia geankerd en waren we urenlang onder twee enorme regenbogen over de Pacific gevlogen.

En nu lagen we opnieuw op een van die plekken waarvan ik iedere keer wanneer we er aankomen weer even stil word van de schoonheid om ons heen en mij realiseer hoe bijzonder het eigenlijk is dat wij ons eigen huis over duizenden zeemijlen oceaan kunnen verplaatsen en het vervolgens midden in dit landschap voor anker kunnen leggen.

Soms varen we verder omdat we nieuwsgierig zijn naar wat er achter de volgende horizon ligt, maar deze keer hadden we vooral heel veel zin om terug te keren naar een plek die we al kenden.

En terwijl we die ochtend naar het spiegelgladde water en de kleine kalkstenen eilandjes om ons heen keken, voelde het helemaal niet alsof we terug waren gegaan.

Het voelde vooral ontzettend goed om er weer te zijn.

REACTIES AAN BOORD

Laat een bericht achter

Deel een gedachte, vraag of groet. Je reactie wordt eerst door Aagje gelezen voordat hij hier verschijnt.

Reacties laden…