Verrassing in India, stilte aan boord
Rajesh is veilig aangekomen in India, en hoe. Niemand wist dat hij zou komen, en dat is precies wat hij zo leuk vindt: zijn dierbaren totaal overvallen. Voor hem is het de ultieme kick om ineens voor iemands neus te staan, alsof er een geest uit het niets is verschenen. Eerst de verbijstering, dan de lach, en uiteindelijk de uitbundige omhelzingen. Dat moment waarop ongeloof omslaat in pure blijdschap, is onbetaalbaar. Hij is ook nog eens precies in de festivalmaand thuisgekomen. Overal worden Hindu-feesten gevierd, mensen zijn vrij, families komen samen, een tijd vol kleur, muziek en uitgelatenheid. Rajesh reist van hot naar her en straalt bij elke video-call. Zijn ogen fonkelen, zijn lach vult het scherm. Voor ons aan boord verzacht dat de leegte een beetje, maar voelbaar blijft het wel. Het dek is stiller zonder zijn voetstappen en de avonden zijn stiller terwijl we spelletjes spelen met z’n tweeën.




Jeroen en ik hebben intussen niet stilgezeten. Zodra Rajesh’ kamer leeg was, lag er ineens een lijstje klaar met al die klussen waar we eerder niet goed bij konden. Jeroen is er direct ingedoken. De boegschroef krijgt een elektronische servicebeurt en de mysterieuze ankerwas-slang, die al tijden niet doet wat hij moet doen, wordt onder handen genomen. Alsof dat nog niet genoeg is, hebben we twee nieuwe AGM-accu’s aangeschaft. Jeroen probeert nu apparaten die korte piekspanningen vragen, waar onze lithium-accu’s niet blij van worden, los te koppelen op een eigen netwerk van AGM’s. Een slim plan, maar het betekent wel weer dagenlang puzzelen met kabels, schema’s en zekeringen. Elektronica is niet zijn favoriete terrein. Geef hem een motor of een mechanisch probleem en hij fluit erdoorheen. Maar zodra er draden, piepjes en amperes in het spel komen, fronst hij zijn wenkbrauwen alsof hij een vreemde taal moet vertalen. Hij kan het als de beste, maar het kost hem gewoon meer energie. En dus laat ik hem zo veel mogelijk met rust. Een Jeroen die geconcentreerd in draden tuurt, moet je niet storen.

Zelf kruip ik met mijn laptop op de bank en duik weer in mijn boek, een psychologische roman over Saar en Pim. Daar kan ik al mijn gedachten, gevoelens en observaties in kwijt. Af en toe werp ik een blik naar buiten, waar het water zacht tegen de romp kabbelt, of luister ik naar het geratel van Jeroen die onderdeks bezig is. En natuurlijk zorg ik dat er eten en drinken klaarstaat. Want laten we eerlijk zijn: een man met volle maag en een koud drankje binnen handbereik kan beter nadenken. A happy man is a happy wife, een waarheid die op zee nog net iets sterker geldt dan aan land, vind ik. Zo laveren we tussen gemis en bezigheden, tussen stilte en vrolijke video-calls. Rajesh danst van festival naar festival, wij van klus naar klus. En ergens daartussen, in die balans van afstand en nabijheid, voel ik hoe sterk de band blijft, ongeacht waar we ons bevinden.


We liggen voor anker in het water tussen Vuda Marina en Denarau. Twee plekken met elk hun eigen charme: Vuda met een kleine bootwinkel en, op vijftien minuten rijden met bus of taxi, de stad Lautoka voor technische benodigdheden. Denarau heeft winkels en onderdelen direct in de marina, en bovendien een goede supermarkt voor de dagelijkse boodschappen. Toen Jeroen en ik het anker lichten in Vuda om naar Denarau te varen, keken we elkaar even aan. Het was de eerste keer sinds ons vertrek dat we écht met z’n tweeën voeren. Rajesh en Jeroen hadden dit avontuur samen al eens gehad, toen ik vier maanden in Nederland werkte. Maar nu waren we met ons tweeën. We glimlachten, haalden diep adem en zeiden tegelijk: we kunnen dit. En dus ging er een slok rum overboord. Niet alleen voor Neptune, zoals het hoort, maar ook voor Rajesh. You can do this, and so can we.
In Nieuw-Zeeland mag je bijna niets meenemen: geen verse producten, geen gedroogd fruit, soms zelfs geen meel. Dus controleer ik alle kasten, sorteer de voorraad en herorganiseer elk blik en elke zak. We kwamen erachter dat we tot aan Nieuw-Zeeland helemaal geen inkopen meer hoeven te doen, er is genoeg dat eerst op moet. Tegelijkertijd duik ik in de stapel papierwerk: formulieren, lijsten, verklaringen. Het lijkt eindeloos.
De wind draait en we beginnen in Denarau te stuiteren, op en neer. Golven beuken tegen de boeg, water spat omhoog. Ik zit in de cockpit wanneer ik opeens een zeilboot recht op ons af zie komen. “Jeroen!” roep ik. Er is niemand aan boord van die andere boot. Binnen enkele tellen klimt Jeroen in de dinghy en gaat aan boord van het stuurloze schip. Daar vindt hij alleen een elektrische knop om het anker op te halen, niet om het te laten zakken. Ondertussen drijft de boot gestaag onze kant op. Geen seconde aarzelt hij: hij haalt ons reserve-anker op, vraagt hulp bij een buurboot en samen weten ze het uit te brengen. Net op tijd stopt de boot met slepen – precies wanneer de eigenaren terugkomen. Hun opluchting en dankbaarheid zijn groot. Dit is wat je hoopt binnen de zeilcommunity: dat er mensen zijn die ook om jóuw boot geven.
We hebben amper de tijd om adem te halen. Vijf minuten later zie ik nóg een boot gevaarlijk dicht bij ons komen. “Jeroen!” roep ik weer, mijn stem een octaaf hoger dan daarnet. Hij stormt naar buiten. Deze keer zit de eigenaar wél aan boord, maar zijn motor doet het niet. Een stuurloze boot die door de golven wordt voortgeduwd en wij liggen precies in zijn pad. Jeroen besluit direct: eerst onze eigen boot veiligstellen. Maar dan roept hij van het voordek: “Dat kan helemaal niet, ik ben nog bezig met ons anker!” Met een ruk start Jeroen de dinghy en manoeuvreert zich tussen ons schip en de stuurloze boot, terwijl ik stootwillen over de reling gooi en daarin in de cockpit zit achter het roer, klaar om de motor te starten als het echt mis dreigt te gaan. Op nog geen twee meter afstand schuift de boot langs ons heen. We houden de wind goed in de gaten want die begint iets te draaien. Uiteindelijk als de zeilboot ons is gepasseert, laat de eigenaar meer ankerketting vieren en komt de boot langzaam tot stilstand. Jeroen waarschuwt ook nog een catamaran direct achter ons, die meteen ook meer ketting uitbrengt. Om zo de zeilboot meer ruimte te geven. Dan keert de rust weer terug. De boten liggen weer op veilige afstand. Ondertussen stuiteren wij nog altijd flink op en neer, alsof de zee ons eraan wil herinneren dat hier niets vanzelfsprekend is.
Jeroen zit tien minuten later alweer helemaal in zijn schema’s en ik in mijn verhaal over Saar en Pim en het geheim dat tussen de golven blijft hangen. Schrijven brengt me terug naar mezelf. Wat ik aan boord meemaak, de stilte, het oneindige water, de kleine stormen in mijn hoofd, vindt daar een plek. In het verhaal van Saar en Pim kan ik alles kwijt wat ik observeer en voel, zonder dat het over mij hoeft te gaan. Hun wereld is verzonnen, maar de emoties die ik erin leg zijn echt. Het is mijn manier om te begrijpen, te verwerken en tegelijk iets moois te scheppen uit wat soms schuurt.

Na bijna een week zwoegen is het zover: Jeroen is klaar met zijn grote klus. Ik kan niet anders dan vol trots naar hem kijken. Wat begon als één klein project, groeide, zoals dat bij hem altijd gaat, uit tot een complete technische metamorfose. Kabels trekken, nieuwe accu’s installeren, schakelaars verplaatsen, systemen doormeten… het ene verbeterpunt leidde vanzelf tot het volgende. En nu, na dagen van gereedschap, schema’s en doorzettingsvermogen, werkt alles perfect en heeft elk onderdeel zijn plek gevonden. De machinekamer glanst, Jeroen ook.

Nu rest alleen nog de motor en de generator: een servicebeurt met nieuwe olie, filters en impellers. De geur van smeerolie hangt alweer in de lucht, het vaste parfum van elk vertrekplan. Dat betekent ook dat we voorlopig nog even heen en weer pendelen tussen Vuda en Denarau: de ene dag op jacht naar onderdelen, de volgende dag weer met het hoofd in de motorruimte. Jeroen heeft daar inmiddels een soort zen in gevonden (of doet alsof).
Toch kunnen we allebei niet wachten om weer op een plek te liggen waar we gewoon in het water kunnen springen. Zodra de klussen hier gedaan zijn, is het tijd om het onderwaterschip te reinigen, een tropische variant van de voorjaarsschoonmaak. Daarna sturen we de video’s en foto’s braaf naar de Nieuw-Zeelandse biosecurity. Daar nemen ze het namelijk zeer serieus: geen enkel aangekoekt schelpdier mag mee over de grens. Pas als ze ons onderwaterschip officieel ‘schoon genoeg’ verklaren, mogen we koers zetten naar het zuiden.
‘s Avonds, als de zon zakt en het water koper kleurt, denk ik aan Barbara en Ralph van Lille Venn, en aan Karin van Mabul. Ook zij zijn even terug in Zwitserland, werken, familie zien, genieten van het landleven. En toch, als we berichten uitwisselen, klinkt in hun woorden hetzelfde verlangen: weer terug naar de boot, naar dat wiegende thuis op het water. Dan voel ik hoe ver we werkelijk zijn. Niet alleen van Rajesh, maar ook van alles wat ooit zo gewoon was: werk, familie, vrienden, Nederland. Soms mis ik dat, en heb ik zin om even weer te voelen hoe het was, die vanzelfsprekendheid van dichtbijheid. Die goede balans vinden, dat is het moeilijkste van deze manier van leven. Want diep vanbinnen weet ik: we zullen ons waarschijnlijk nooit meer helemaal thuis voelen; niet daar, en niet hier.




REACTIES AAN BOORD
Laat een bericht achter
Deel een gedachte, vraag of groet. Je reactie wordt eerst door Aagje gelezen voordat hij hier verschijnt.
Reacties laden…